Winkelwagen

<< Vorige - Volgende >>


Noveengebed, Psalmen tbv Genezing


Noveengebed, Psalmen tbv Genezing


PSAQ124

Artikelcode: NOV900814



Ps.41:14-16
14 Laat iemand die ziek is de oudsten van de gemeente bij zich roepen; 
laten ze voor hem bidden en hem met olie zalven in de naam van de Heer. 
15 Het gelovige gebed zal de zieke redden, en de Heer zal hem laten opstaan. Wanneer hij gezondigd heeft, zal het hem vergeven worden. 
16 Beken elkaar uw zonden en bid voor elkaar, dan zult u genezen. Want het gebed van een rechtvaardige is krachtig en mist zijn uitwerking niet.

Ps.41:4
4 Op zijn ziekbed zal de HEER hem tot steun zijn.
‘Hoe lang hij ook ziek ligt, u keert zijn lot ten goede.’

Ps.121
1 Een pelgrimslied.
Ik sla mijn ogen op naar de bergen,
van waar komt mijn hulp?
2 Mijn hulp komt van de HEER
die hemel en aarde gemaakt heeft.
3 Hij zal je voet niet laten wankelen,
hij zal niet sluimeren, je wachter.
4 Nee, hij sluimert niet,
hij slaapt niet,
de wachter van Israël.
5 De HEER is je wachter,
de HEER is de schaduw
aan je rechterhand:
6 overdag kan de zon je niet steken,
bij nacht de maan je niet schaden.
7 De HEER behoedt je voor alle kwaad,
hij waakt over je leven,
8 de HEER houdt de wacht
over je gaan en je komen
van nu tot in eeuwigheid.

Ps.41
1 Voor de koorleider. Een psalm van David.
2 Gelukkig wie zorgt voor de armen;
in kwade dagen zal de HEER hem uitkomst geven,
3 de HEER zal hem beschermen en in leven houden,
men prijst hem gelukkig in het hele land.
‘Lever hem niet uit aan zijn vijanden!’
4 Op zijn ziekbed zal de HEER hem tot steun zijn.
‘Hoe lang hij ook ziek ligt, u keert zijn lot ten goede.’
5 Ik zeg: ‘HEER, wees mij genadig,
genees mij, ik heb tegen u gezondigd.’
6 Mijn vijanden verwensen mij, ze zeggen:
‘Wanneer sterft hij en verdwijnt zijn naam?’
7 Wie mij bezoekt, heeft mooie woorden,
maar zijn hart is vol kwade gedachten;
staat hij buiten, hij spreekt ze uit.
8 Wie mij haten hopen het ergste voor mij
en fluisteren aan mijn bed tegen elkaar:
9 ‘Een dodelijke kwaal heeft hem geveld,
wie zo ziek ligt, staat nooit meer op.’
10 Zelfs mijn beste vriend,
op wie ik vertrouwde, die at van mijn brood,
heeft zich tegen mij gekeerd.
11 Toon mij, HEER, uw genade en laat mij opstaan,
dan zal ik hun geven wat ze verdienen.
12 Hieraan zal ik weten dat u mij liefhebt:
als mijn vijand niet langer juicht,
13 als u mij bijstaat, omdat ik onschuldig ben,
en mij voorgoed laat wonen in uw nabijheid.
14 Geprezen zij de HEER, de God van Israël,
van eeuwigheid tot eeuwigheid.
Amen, amen.

Ps.30
1 Een psalm. Een lied bij de inwijding van de tempel. Van David.
2 Hoog wil ik u prijzen, HEER, want u hebt mij gered
en mijn vijand geen reden gegeven tot vreugde.
3 HEER, mijn God, ik riep tot u
om hulp en u hebt mij genezen.
4 HEER, u trok mij uit het dodenrijk omhoog,
ik daalde af in het graf, maar u hield mij in leven.
5 Zing voor de HEER, allen die hem trouw zijn,
loof zijn heilige naam.
6 Zijn woede duurt een oogwenk,
zijn liefde een leven lang,
met tranen slapen we ’s avonds in,
’s morgens staan we juichend op.
7 In mijn overmoed dacht ik:
Nooit zal ik wankelen.
8 HEER, u had mij lief en ik stond als een machtige berg,
u verborg uw gelaat en ik bezweek van angst.
9 U, HEER, roep ik aan,
u, Heer, smeek ik om genade.
10 Wat baat het u als ik sterf,
als ik afdaal in het graf?
Kan het stof u soms loven
en getuigen van uw trouw?
11 Luister, HEER, en toon uw genade,
HEER, kom mij te hulp.
12 U hebt mijn klacht veranderd in een dans,
mijn rouwkleed weggenomen, mij in vreugde gehuld.
13 Mijn ziel zal voor u zingen en niet zwijgen.
HEER, mijn God, u wil ik eeuwig loven.

Ps.37
1 Van David.
Erger je niet aan slechte mensen,
wees niet jaloers op wie kwaad doen,
2 zij verdorren snel als gras,
zij verwelken als het jonge groen.
3 Vertrouw op de HEER en doe het goede,
bewoon het land en leef er veilig.
4 Zoek je geluk bij de HEER,
hij zal geven wat je hart verlangt.
5 Leg je leven in de handen van de HEER,
vertrouw op hem, hij zal dit voor je doen:
6 het recht zal dagen als het morgenlicht,
de gerechtigheid stralen als de middagzon.
7 Blijf kalm en wacht op de HEER,
erger je niet aan wie slaagt in het leven,
aan wie met listen te werk gaat.
8 Wind je niet op, laat je woede varen,
erger je niet, dat brengt maar onheil.
9 Slechte mensen worden verdelgd,
wie hopen op de HEER, zullen het land bezitten.
10 Nog even, en verdwenen is de zondaar,
je kijkt waar hij is, maar vindt hem niet.
11 Wie nederig zijn, zullen het land bezitten
en gelukkig leven in overvloed en vrede.
12 De zondaar belaagt de rechtvaardige
met een grijns op zijn gezicht.
13 Maar de Heer lacht hem uit
en ziet de dag al van zijn ondergang.
14 Zondaars trekken hun zwaard
en spannen hun boog,
om zwakken en armen te doden,
om af te slachten wie eerlijk hun weg gaan.
15 Maar het zwaard dringt in hun eigen hart
en hun bogen worden gebroken.
16 Beter het weinige dat een rechtvaardige heeft
dan de rijkdom van talloze zondaars.
17 De macht van de zondaars wordt gebroken,
maar de HEER zal de rechtvaardigen steunen.
18 De HEER trekt zich het lot van onschuldigen aan,
hun bezit blijft voor eeuwig behouden.
19 Zij worden niet teleurgesteld in kwade dagen,
in tijden van hongersnood hebben zij te eten.
20 De zondaars zullen ten onder gaan,
de vijanden van de HEER verdwijnen
als bloemen in het veld, verdwijnen als rook.
21 De zondaar vraagt te leen en brengt niet terug,
de rechtvaardige geeft, uit mededogen.
22 Gods gezegenden zullen het land bezitten,
de vervloekten worden verdelgd.

Ps.38
1 Een psalm van David, een dringend gebed.
2 Wees niet vertoornd, HEER, straf mij niet,
bedwing uw woede, sla mij niet.
3 Diep zijn uw pijlen in mij gedrongen,
zwaar is uw hand op mij neergedaald.
4 Door uw toorn is niets aan mijn lichaam nog gaaf,
door mijn zonden is niets van mijn gebeente nog heel.
5 Mijn schuld steekt hoog boven mij uit,
als een zware last, te zwaar om te dragen.
6 Mijn wonden zweren en stinken
vanwege mijn lichtzinnig leven.
7 Ik loop gebogen, diep gebukt,
ik ga in het zwart gehuld, dag in dag uit.
8 In mijn lendenen woedt de koorts,
niets aan mijn lichaam is nog gaaf,
9 ik ben uitgeput, gebroken,
met bonzend hart schreeuw ik het uit.
10 Heer, al mijn verlangens zijn u bekend,
mijn zuchten is u niet verborgen,
11 mijn hart gaat tekeer, mijn kracht ebt weg,
mijn ogen verliezen hun glans.
12 Mijn liefste vrienden ontlopen mijn leed,
wie mij na staan, houden zich ver van mij.
13 Mijn belagers lokken mij in de val,
wie mijn ongeluk willen, spreken dreigende taal,
dag in dag uit verspreiden ze leugens.
14 Maar ik houd mij doof en wil niet horen,
ik doe als een stomme mijn mond niet open,
15 ik ben als iemand die niet kan horen,
geen verweer komt uit mijn mond.
16 Want op u, HEER, hoop ik,
van u komt antwoord, mijn Heer en mijn God.
17 Ik denk: Laten ze niet om mij lachen,
niet triomferen nu mijn voet wankelt.
18 Want ik ben de ondergang nabij
en altijd vergezelt mij de pijn.
19 Ik wil u mijn schuld belijden,
door mijn zonden word ik gekweld.




euro 1.50




Voorraad: Ruim op voorraad

Op Bestelling (1 tot 2 weken)


Aantal